Ben ooit in Antwerpen geweest. Ik heb de stad vaker bezocht maar die keer was ik er wat langer, had ik tijd om te lopen zonder plan, buurten in te gaan die niet speciaal bekend stonden om het een of ander. Gewoon maar lopen en kijken. Vooral kijken en hier en daar een flard van een gedachte laten ontstaan. De straten voor het plein brachten me al in de stemming, er was iets dat me vrolijk stemde. Schoonheid? Als het er was dan toch wel zeer onnadrukkelijk, zonder dat er iets viel aan te wijzen. Het besef dat het hier goed wonen moest zijn? Iets was er aangenaam en het raakte bij mij binnen.
Er ging geen wereld voor me open toen ik het plein op liep, het was de voortzetting van een gedachte, iets wat al lopende in gang was gezet: hier is het goed. En een liedje neuriede door mijn hoofd, misschien floot ik het wel.
De stad, ze toont haar charme
ze oogt zo aangenaam
alvorens met de uren
tot broeikas te vergaan
de dag is vol belofte
de dag weegt nog geen lood
ik heb nog recht op koffie
en op brood (*)
Ik besloot plaats te nemen op het vroege terras, wat te drinken. Drinken en zitten, genieten van mijn goede humeur. Weet niet of ik ook een krant had. Die heb ik dan kennelijk weer teruggelegd, in het café, voordat ik verder ging. Maar ik kwam eerst terug, om te vragen of ik een foto mocht maken.
’s Avonds op een andere hoek van het plein wat gegeten. Wat ik de tussentijd gedaan heb weet ik niet meer. Mogelijk een stuk langs het spoortalud gelopen, een bezoek aan het park overwogen. Een museum bezocht? Ik weet nog wel dat ik op de kaart op zoek ging naar het plein van die ochtend, de snelste route om er terug te komen. Had de naam niet echt onthouden, wel dat die bij mij een associatie opriep met vroeg socialisme, beelden en begrippen uit die tijd.
Dageraadplaats kwam het meest in aanmerking. Dat plaats verbaasde me wel. Dat ik zo snel kans had gezien plaats te veranderen in plein, en nu oprecht verbaasd was dat er geen plein in de naam voorkwam.
* = tekst van Raymond van het Groenewoud, het lied Koffie en brood uit 2001
maandag 27 maart 2017
zaterdag 11 februari 2017
Je laatste wens
![]() |
| Aad van Rijn gedicht uit: 'De vuilnisman komt in elke straat' AUL-uitgeverij, 1983 |
Een advertentie heb ik niet gezet, Aad,
ook geen poging ondernomen.
Het is gewoon te duur, man, die bladen.
Ze zien me al aankomen.
Er wel aan gedacht, ook gekeken
of ze nog bestonden.
Maar ik was niet in de stemming,
gewoon niet in de stemming
om een grap ten uitvoer te brengen.
Dat heb je soms als iemand overlijdt.
Maar geef toe, je bent ook niet
bijgezet in de zitkuil, in de noordoosthoek ervan.
Volgens mij heb je alle zitkuilen overleefd.
Dat dan weer wel. Die dingen zijn, voor zover ik weet,
ook nooit teruggekomen in een of andere retro-modegril.
En dat plastificeren…
ik heb altijd gedacht dat je je as bedoelde,
een klein blokje plastic met je as erin,
En dat dan tegen die wand aan, met een spotje erop.
Maar ik zie je nu pas voor me, in vol ornaat.
Bontebal zelf in plastic gegoten, een blok van heb ik jou daar.
En dat dan in vlammend rood, wat misschien
nog wel het vreemdste is.
Ik weet het niet Aad,
Een helwit spotje koop ik nog wel van mijn zakgeld,
die wand verf ik persoonlijk blauw
als ik jou er een plezier mee doe.
Desnoods verf ik honderd wanden blauw.
Maar of ik het een goed idee vind?
Aan je aanwezigheid zou ik wennen, dat geloof ik wel.
Maar dat je daar maar zou staan
en wat ik ook tegen je praat,
je nooit iets terug zou zeggen.
Dat zou ik niet leuk vinden,
dat zou ik niet trekken, Aad.
zaterdag 22 oktober 2016
Vissersdochter aan het naaien
![]() |
| 'Vissersdochter aan het naaien', ca. 1899 van Anna Ancher (1859-1935) |
Vissersdochter aan het naaien (versie: 21-10-2016 23:39)
Als ik zulke lichtval
in huis zou hebben
zou ik nooit meer,
naar m´n werk gaan.
Ik zou zitten en kijken,
proberen te begrijpen,
te zien, wat het is
in het besef
dat er niets
te begrijpen valt,
dat dit
het is,
dat dit
overweldigende licht
het is
© Dorpsoudste de Jong
zondag 16 oktober 2016
Hardnekkig
Loop nu al bijna een maand de verkeerde kant op. Als de telefoon begint te rinkelen en ik een paar seconden later de kamer in kom staat het apparaat schuin voor me, op het tafeltje naast de bank. En in plaats van die kant op te stappen ga ik na binnenkomst rechtsaf, richting het muurkastje naast de tv, de plek waar de telefoon eerst stond.
Het is niet dat ik verbaasd ben dat ik de telefoon daar niet aantref, het is verbazing over het feit dat mijn reflexen zo hardnekkig zijn, dat ik een maand nadat het ding verplaatst is nog steeds de verkeerde kant op loop. Dat al die keren dat ik verkeerd gelopen ben, alle keren dat ik tot de conclusie kwam ´O nee, hij staat hier niet meer, hij staat daar,´ zo weinig gewicht in de schaal leggen. Dat als ik mijn hoofd er niet bij heb ik gedachteloos een patroon begin uit te voeren dat al een maand lang overschreven zou moeten zijn met een nieuwe instructie.
Het is niet dat ik verbaasd ben dat ik de telefoon daar niet aantref, het is verbazing over het feit dat mijn reflexen zo hardnekkig zijn, dat ik een maand nadat het ding verplaatst is nog steeds de verkeerde kant op loop. Dat al die keren dat ik verkeerd gelopen ben, alle keren dat ik tot de conclusie kwam ´O nee, hij staat hier niet meer, hij staat daar,´ zo weinig gewicht in de schaal leggen. Dat als ik mijn hoofd er niet bij heb ik gedachteloos een patroon begin uit te voeren dat al een maand lang overschreven zou moeten zijn met een nieuwe instructie.
maandag 22 augustus 2016
Sint-Pietersplein
Sint-Pietersplein
Waar Mia werd gezongen
worden nu Pokémons gevangen.
Het is een mooie zaterdag,
middag, het regent niet.
Binnen klinkt het alsof iemand
zijn smartphone te hard heeft gezet.
Een opera, als ik aan het geluid
gewend ben. Waarschijnlijk toch
de installatie van de kerk.
Ik stink naar zweet, merk ik,
nu ik even stil sta.
'Freiheit! Freiheit!' zingt de tenor.
Het klinkt meer alsof er ten strijde getrokken wordt.
Het hemelse gezang breekt al door.
Ik ga maar eens naar buiten.
Werp een laatste blik.
Vind het toch wel mooi.
Dat heb je dan voor elkaar
dat ik hier naar een stukje opera
sta te luisteren, en het mooi vind.
Verderop staat de Boekentoren in de steigers.
De straat naar de Vooruit ligt open.
Er kan gefietst worden, over het gruis, en gelopen.
Er komt asfalt, zo schrijven ze op de borden.
Er komt asfalt, en dat is een verbetering.
dinsdag 29 maart 2016
Hollands Spoor, perron 4
Op station Hollands Spoor wat gewapende politie, zwarte machinepistolen, naar beneden gericht. Een van de mannen keek me aan toen ik langsliep, terwijl ik besloten had een andere tegemoet lopende man aan te kijken, of althans mijn blik in zijn omgeving te houden, zag ik nog net dat ik bekeken werd. Ze liepen verder.
Na het instappen, vanaf mijn zitplaats bij het raam zag ik twee van hun collega's, even breed, even donker gekleed, zelfde wapens, met bruinpapieren tassen lopen. Allebei. De dichtstbijzijnde droeg er twee aan één hand. Voedsel, patat, snacks. Een vreemd gezicht.
Maar ja, als de hele of de halve dag op dit perron heen en weer moet lopen met een mini-mitrailleur toch min of meer in de aanslag, kan het nuttigen van wat snackbarvoedsel een welkome afwisseling zijn.
(vrijdag 25 maart 2016)
Na het instappen, vanaf mijn zitplaats bij het raam zag ik twee van hun collega's, even breed, even donker gekleed, zelfde wapens, met bruinpapieren tassen lopen. Allebei. De dichtstbijzijnde droeg er twee aan één hand. Voedsel, patat, snacks. Een vreemd gezicht.
Maar ja, als de hele of de halve dag op dit perron heen en weer moet lopen met een mini-mitrailleur toch min of meer in de aanslag, kan het nuttigen van wat snackbarvoedsel een welkome afwisseling zijn.
(vrijdag 25 maart 2016)
Internationale trein
Je stapt een trein binnen en je schrikt van de geur die er hangt. Een muur van stank waar je doorheen moet, rechtsaf de coupé in. Vanuit een ooghoek zie je dat er op dit balkon een toilet is, je wist het al, maar nu zie je het. Onwaarschijnlijk doordringende geur.
Een meter of vijf de coupé in ga je zitten, je verbaast je, meent het nog te ruiken. Als een kolkende rook die niet anders kan dan zich van de bron verplaatsen, zo lijkt deze geur elke keer dat de tussendeur opengaat zich zover mogelijk de coupé in te duwen.
Mensen komen binnen met verwrongen gezicht, vertwijfelde blik, hand voor de mond en neus, afgewend gelaat. Ook gebogen hoofden, neus zover mogelijk richting kraag, liefst erin verdwijnend, iets dat vaak net niet lukt.
Weinig opmerkingen, weinig woorden die er aan vuil worden gemaakt. Eén keer een mevrouw die informeerde bij de Belgische conducteur. "Ja, mevrouw. We weten het. We hebben het gemeld. Het is verschrikkelijk."
Ben op weg naar Brussel, een NS-trein met naast NMBS-personeel ook mensen van de Nederlandse Spoorwegen.
De trein rijdt. Soms valt het mee. Vooral op de langere stukken, als iedereen even blijft zitten.
Vanavond muziek. Eerst Sint-Pieters-Leeuw, het huis, de vrienden weer zien, dan terug de stad in. Ben benieuwd of we binnen geraken, Er is plek voor vijfig. We doen ons best, zijn onderweg.
Een meter of vijf de coupé in ga je zitten, je verbaast je, meent het nog te ruiken. Als een kolkende rook die niet anders kan dan zich van de bron verplaatsen, zo lijkt deze geur elke keer dat de tussendeur opengaat zich zover mogelijk de coupé in te duwen.
Mensen komen binnen met verwrongen gezicht, vertwijfelde blik, hand voor de mond en neus, afgewend gelaat. Ook gebogen hoofden, neus zover mogelijk richting kraag, liefst erin verdwijnend, iets dat vaak net niet lukt.
Weinig opmerkingen, weinig woorden die er aan vuil worden gemaakt. Eén keer een mevrouw die informeerde bij de Belgische conducteur. "Ja, mevrouw. We weten het. We hebben het gemeld. Het is verschrikkelijk."
Ben op weg naar Brussel, een NS-trein met naast NMBS-personeel ook mensen van de Nederlandse Spoorwegen.
De trein rijdt. Soms valt het mee. Vooral op de langere stukken, als iedereen even blijft zitten.
Vanavond muziek. Eerst Sint-Pieters-Leeuw, het huis, de vrienden weer zien, dan terug de stad in. Ben benieuwd of we binnen geraken, Er is plek voor vijfig. We doen ons best, zijn onderweg.
Abonneren op:
Posts (Atom)

