zondag 5 mei 2013
Stilte
Was in een stad, en tussen zeven en acht moest ik besluiten: nu naar station en twee minuten stilte in rijdende trein of op zoek naar plaats van samenkomst in die stad. Zag veel mensen lopen, veel dezelfde kant op, richting pleinen met terrassen. Zocht tussen die gezichten iemand die ik zou aanspreken, zou vragen waar het plein was, de plek waar men hier bijeenkwam om te herdenken, om stil te zijn. Die vraag stelde ik op zeker moment ook. Een man van een jaar of 55: "Bijeenkomen, herdenken, stil zijn... even zien hoor... wat bedoelt u eigenlijk precies?" "Dodenherdenking, in elke stad is er wel een plek waar mensen dan bijeenkomen..." Ik zag nog geen licht gaan branden. "4 mei, de twee minuten stilte..." "O.... wacht, dat is op het xxx (het grootste plein in die stad, met zeer veel terrassen) en ook op het xxx-plein. Ik bedankte de man vriendelijk. Ik was net over dat laatste, een stuk kleiner plein gewandeld. Aangename sfeer, maar een en al tafel en stoel, en mensen die zaten te eten. Geen plek waar je over twintig minuten een herdenking zou verwachten. Ben er toch maar heen gelopen, voorbij de restaurants op een van de hoeken stond een oud kerkgebouw. Daaromheen gegaan, niets. Vijfhonderd meter verder zag ik een taxi stilstaan, raampje open. Ik keek op mijn horloge, vijf voor acht, en hij liep wat voor. Uiteindelijk heb ik zelf midden op een brug stilgestaan. Op zeker moment kon ik ook klokken horen. Ze leken het hele uur te slaan. Heb nog even gewacht. Toen doorgelopen, naar het station. Mijn bezoek aan deze stad zat erop.
zondag 24 maart 2013
Joris en de boeken
Wilde nog niet naar huis, wilde bijkomen, tot mezelf
komen. Wist niet zo goed wat ik ging doen. Vanaf de pont richting Nieuwmarkt
gefietst, tot aan de Sint Antoniebreestraat, daar mijn fiets neergezet. Wat
gelopen, op zoek naar een Bagels & Beans die hier moest zitten. Eddie komt
er wel eens, en Francine ook. Dan kan het zo’n beroerde zaak niet zijn. Ik
verwachtte hem eigenlijk op de Jodenbreestraat aan te treffen, in het stuk winkels onder de theaterschool. Er zat wel
een bagelzaak, maar die heette Tony’s, of iets dergelijks. Aan de beslagen
ruiten te zien was het er behoorlijk druk. Het trok me niet. Iets verderop
misschien, in het volgende stuk winkels, in de buurt van de Blokker. Daar wel
met een meisje in gesprek geraakt dat me graag een abonnement op het Parool had
verkocht. Dat ik, in een andere stad wonend, daar niet zo veel interesse in had
begreep ze wel. Wat daar dan voor krant was wilde ze weten. Ik vertelde haar
over het dagblad dat hier verschijnt en hoe dat eigenlijk een regionale variant
is van een niet bestaande landelijke krant, dat het in wezen dezelfde krant was
als de Gooi en Eemlander met een paar pagina’s regionaal nieuws verschil. Ik
kreeg een Parool van haar mee en ook al waren er geen zaken gedaan, ik geloof
dat we allebei tevreden waren met deze kleine ontmoeting.
Een krant was er al, nu nog een tafeltje in de Bagels
& Beans. Ik dacht me toch te herinneren dat die hier ergens zat. Aan de
overkant gekeken, misschien dan in dat tussenstraatje richting Waterlooplein.
Daar zat wel iets, op of om de hoek, maar niet wat ik zocht.
Het Waterlooplein overgestoken tot ik bijna met mijn neus
tegen de muur van het stadhuis stond, toen zag ik rechts het logo van Bagels
& Beans. Dus toch! Daar moest ik dan maar heen voor een kop koffie, maar
eerst maar even de markt over, misschien vond ik nog een mooi oud houten
droogrek. O nee, daar zou ik mee ophouden, om daar naar te zoeken. Dat had ik
een poos geleden al besloten. Maar als ik er nou zomaar tegenaan loop? Op een
dag als vandaag zou het kunnen. Desnoods laat ik hem door iemand anders bij
haar bezorgen. Dat een vriendin van haar het bij haar langs brengt met de
mededeling dat zij hem gevonden heeft, er tegenaan liep en toen gelijk aan haar
moest denken. Dan zou het kunnen. Daar zou ik ook blij mee zijn, Die gedachte
zou me ook gelukkig maken. Als ze dan over een paar jaar hoort dat het ding van
mij afkomstig was, dat ik hem voor haar gevonden had, dan zal ze daar wel vrede
mee hebben, dan zal ze dat misschien nog wel iets moois vinden.
Vesten gezien, de patatkraam, stapels kleding op de
grond, spuitbussen, weinig oude meubels, In de buurt van het water een kraampje
met wat vazen, sieraden, beeldjes en ook een paar lijstjes met landschappen,
portretten misschien. Een simpel Hollands polderlandschap had mijn aandacht. Ik
vond hem eigenlijk erg mooi. Maar ik kon maar beter niet vragen wat het kostte.
Het zou al snel 15 euro of meer zijn. En ik had maar een tientje bij me, en
meer had ik er eigenlijk ook niet voor over.
Mijn koffie gedronken, een bagel gegeten, het was warm,
het was aangenaam. Het was goed om even te zitten. Een paar gedachten over
Joris opgeschreven, de reigers die we zagen vliegen tijdens de plechtigheid die
gelukkig geen plechtigheid was. Hoe mooi die mensen gesproken hadden, dat Joris
er wel blij mee zou zijn, met zulke woorden van zijn broer, zijn moeder, een
goede vriend en vriendin.
Er zat weinig kracht meer in, in mij, na zo’n ochtend, na
alle sores, na alles deze week. Ik kwam wel een beetje bij en daar ging het om.
Dat voelde goed. Na een wc-bezoek en nog een onverwacht telefoontje dat als
steun bedoeld was en ook zo aanvoelde ging ik nog maar eens naar dat stalletje,
misschien dat ik nu pas die boeken zag staan. Twee euro werd er op zeker moment
geroepen, al die boeken zijn twee euro. Ik stond met een boek over Antwerpse
straten in mijn handen, ik had zelf laatst een gedicht over Antwerpen afgerond,
over hoe het is om daar te lopen. Dit mocht ik mezelf wel cadeau doen. De vrouw
van de stal die dichterbij gekomen was raakte nu in gesprek met twee toeristen.
0ver Mariabeeldjes en ander sierlijke voorwerpen, iets dat met parelmoer
ingelegd was. Ze bedacht daar ook een Engelse woord voor, dat vreemd klonk,
maar met wat uitleg erbij kennelijk toch werkte. Ik liep achter de toeristen
langs met het boek in mijn hand en zag op het linkerdeel van de kraam een
taartschep liggen. Voor Ome Henk. Misschien straks aan die mevrouw vragen wat
die kost. En dan een bedenkelijk gezicht trekken bij het horen van de prijs en
vervolgens zonder al te veel geloof nog informeren naar dat schilderijtje van
het polderlandschap. Dat leek me wel een goede tactiek, ze zou zien dat ik niet
van plan was om veel geld uit te geven, geen idiote prijzen ging betalen.
Het kwam er ook van, maar de prijs was helemaal niet
idioot hoog, drie euro, als ik het me goed herinner. Toen durfde ik ook wel het
schilderijtje te pakken. Dat lijstje? Dat is drieënhalf. Dat viel mee, dat viel
heel erg mee, dat viel enorm mee. Ik vind hem erg leuk, zei ik. Dan doen we
deze drie, en ik gaf haar het boek, de taartschep en het lijstje. Ze nam ze mee
naar haar auto achter de stal, en pakte een tasje voor me en wat krantenpapier
waar ze de taartschep en het lijstje in vouwde.
We kwamen over de boeken te spreken. Ze had vroeger een
boekhandel gehad, in Maastricht, op het Vrijthof. Athenaeum, maar dan een
Maastrichtse variant. Een soort filiaal van..? vroeg ik. Nee, wel zelfstandig. Dat je die boeken nu
haast niet meer kwijtraakt, je kan wel met een doos naar een winkel gaan, maar
je krijgt er een kiloprijs voor, als je er al wat voor krijgt. Ik moest denken
aan Perdu waar af en toe ook voorraden werden aangeboden waarvan de
boekhandelaars dan denken: Wat moeten we er mee? Dat moeten we maar niet doen.
Maar soms ook prachtige collecties, van verzamelaars of bevriende dichters. En
ook wel nalatenschappen. Ik wilde inhaken op haar verhaal, bracht Perdu ter
sprake, legde uit dat het om een boekhandeltje hier iets verderop ging, op de
Kloveniersburgwal, gespecialiseerd in poëzie. Perdu? Dat kende ze wel. Ze
bestelde vroeger altijd de boeken van uitgeverij Perdu. Hele mooie uitgaven
waren dat. Ik stond hier tegenover iemand, een boekhandelaar, een voormalige
boekhandelaar, die in het verleden altijd de boeken van uitgeverij Perdu
bestelde en nu, op 22 maart 2013, met liefde over die mooie uitgaven sprak! Dan
kent u de naam Joris van Groningen waarschijnlijk wel? Ja, daar had ze wel mee
gecorrespondeerd. Ik vertelde dat ik die ochtend naar zijn crematie was
geweest, maar ze hoorde me niet, ze was nog aan het vertellen over haar
boekhandel, in welke tijd ze er mee op gehouden waren in Maastricht en dat ze
er zo’n moeite mee heeft om die boeken van de hand te doen, om er afscheid van
te nemen. Ze stonden eerst in Frankrijk opgeslagen, maar bij een verhuizing
waren ze allemaal meegekomen, dozen vol met boeken in huis. Ergens zonde. Ik
was al lang blij dat ze me niet gehoord had, wat moet iemand ook met een
mededeling dat ik net naar een crematie was geweest. Ik snap wel dat ik dat er
uit flapte, als het andere dag geweest was had ik geroepen dat ik Joris wel
kende en dat ik hem bij gelegenheid zeker van deze ontmoeting zou vertellen,
dat hij dat leuk zou vinden.
Maar dat ze hem kende, zijn naam in ieder geval, dat ze
hield van de boeken die Joris uitgegeven had. Dat was mooi, dat was een cadeau
waar ze geen weet van had maar wat ik dankbaar in ontvangt nam.
zondag 17 maart 2013
Parkieten, Kuifje
Parkieten, mijn vader hield parkieten. In een grote
kooi, volière moet ik zeggen, een grote vogelkooi bij ons in de tuin. Vanuit de
huiskamer kon je ze zien, de kooi was zo’n twee meter hoog, een meter of drie,
vier breed en laten we zeggen een meter diep, niet zo heel diep in ieder geval.
Hij hield daar parkieten in, mijn vader. Gele, blauwe, blauw met wit en ook
groene. Parkieten. Ze hadden het naar hun zin. Althans, ik weet niet beter. Ik
had in ieder geval geen reden om daaraan te twijfelen. Mijn vader verzorgde ze
goed. Hij gaf ze te eten en te drinken. Elke dag. Elke dag opnieuw. Soms mocht
ik mee naar het dorp, dan gingen we naar een dierenwinkel, een diervoederwinkel
en daar kochten we dan nieuw voer. Mijn vader deed dat en ik keek naar de
dieren. Ik vond het leuk als hij me meenam. Vanwege de geur van zo’n winkel,
vanwege de dieren, maar misschien vooral wel om eens op een zaterdagmiddag op
stap te zijn met mijn vader. Dat gebeurde niet zo veel. Daar was geen speciale
reden voor, het gebeurde gewoon niet zo veel.
Ik herinner me ook een keer dat we eens bij een andere diervoederwinkel terecht kwamen, waarschijnlijk omdat dat handiger was, omdat hij nog een boodschap moest doen. Deze was dichtbij de markt, ik weet niet of we daar ook nog moesten zijn. Het zou best kunnen, maar aan het eind van het bezoek, bijna het eind, gingen we nog een soort boekenwinkel/kantoorboekhandel binnen. Die namen kenden ik toen allemaal niet, we gingen een winkel binnen en daar waren stripboeken, en ik mocht er een uitzoeken. Ik mocht er een uitzoeken, van Kuifje. Ik weet niet meer of dat de enige stripboeken waren die daar stonden, of dat mijn belangstelling vooral uitging naar die van Kuifje. Ik mocht in ieder geval een keuze maken uit de albums van Kuifje die daar stonden. Dat lukte. Ik was verbaasd, verheugd, gespannen (is dit wel echt waar?), opgewonden. Het was echt waar. Ik mocht dat boek hebben. Kopen. Mijn vader ging dat boek voor me kopen. Hij zei erbij: “Niet tegen je moeder vertellen, hoor!”. Ik knikte. Ik zou het geheim houden. Ik was blij. Ik was dankbaar.
Ik herinner me ook een keer dat we eens bij een andere diervoederwinkel terecht kwamen, waarschijnlijk omdat dat handiger was, omdat hij nog een boodschap moest doen. Deze was dichtbij de markt, ik weet niet of we daar ook nog moesten zijn. Het zou best kunnen, maar aan het eind van het bezoek, bijna het eind, gingen we nog een soort boekenwinkel/kantoorboekhandel binnen. Die namen kenden ik toen allemaal niet, we gingen een winkel binnen en daar waren stripboeken, en ik mocht er een uitzoeken. Ik mocht er een uitzoeken, van Kuifje. Ik weet niet meer of dat de enige stripboeken waren die daar stonden, of dat mijn belangstelling vooral uitging naar die van Kuifje. Ik mocht in ieder geval een keuze maken uit de albums van Kuifje die daar stonden. Dat lukte. Ik was verbaasd, verheugd, gespannen (is dit wel echt waar?), opgewonden. Het was echt waar. Ik mocht dat boek hebben. Kopen. Mijn vader ging dat boek voor me kopen. Hij zei erbij: “Niet tegen je moeder vertellen, hoor!”. Ik knikte. Ik zou het geheim houden. Ik was blij. Ik was dankbaar.
dinsdag 18 december 2012
Lichtzuilen
Ze doen het weer! De lichtzuilen op het Stationsplein veranderen weer
van kleur.
Het is vooral mooi als je er 's ochtends in het donker op aan komt lopen. En als er dan nog sneeuw ligt ook... dan is het helemaal prachtig.
Maar ja, de laatste twee jaar deden ze het niet meer. Eentje veranderde nog wel van kleur, de rest stond gewoon de hele tijd een beetje paarsblauw te zijn. Maar vanavond deden ze het weer.
Alleen jammer dat ze helemaal synchroon geschakeld lijken te zijn. Als ik me niet vergis kon je vroeger een paarse, een oranjerode, een blauwe, een een groengele tegelijkertijd zien.
Dan keek je om naar de eerste paal die je net gepassseerd was die, toen je aan kwam lopen, toch echt blauwig groen geweest was terwijl de zuil voor je oranjerood gekleurd is. Maar de zuil achter je blijkt inmiddels een andere tint te hebben. Nu iets van paarsig blauw. En terwijl je weer voor je kijkt of het echt oranjerood is meen je er nu een zweem van geel in te zien.
Wellicht een kwestie van tijd voordat dat effect weer terug is.
Het is vooral mooi als je er 's ochtends in het donker op aan komt lopen. En als er dan nog sneeuw ligt ook... dan is het helemaal prachtig.
Maar ja, de laatste twee jaar deden ze het niet meer. Eentje veranderde nog wel van kleur, de rest stond gewoon de hele tijd een beetje paarsblauw te zijn. Maar vanavond deden ze het weer.
Alleen jammer dat ze helemaal synchroon geschakeld lijken te zijn. Als ik me niet vergis kon je vroeger een paarse, een oranjerode, een blauwe, een een groengele tegelijkertijd zien.
Dan keek je om naar de eerste paal die je net gepassseerd was die, toen je aan kwam lopen, toch echt blauwig groen geweest was terwijl de zuil voor je oranjerood gekleurd is. Maar de zuil achter je blijkt inmiddels een andere tint te hebben. Nu iets van paarsig blauw. En terwijl je weer voor je kijkt of het echt oranjerood is meen je er nu een zweem van geel in te zien.
Wellicht een kwestie van tijd voordat dat effect weer terug is.
dinsdag 27 november 2012
De tijd nemen
Ik was sinds jaren weer in het Kröller Müller en kon me een schilderij herinneren waar ik uren voor gestaan had, toen, de laatste keer dat ik er was. Dat zal die keer geweest zijn dat we in Hoenderloo in een huisje zaten omdat mijn moeder, dat moet dan toch negen jaar geleden zijn. Dat is lang.
Het schilderij hing aan een muur (dat soort dingen herinner je je dan) en die muur was wit. Het was van een Franse schilder, geen heel bekende, en volgens mij stond ik met mijn rug naar een glazen wand toen ik het schilderij bewonderde. En achter die glazen wand was het gras en het lange tegelpad naar de ingang van het museum. Zo'n soort herinnering. Die plek heb ik niet terug gevonden, lijkt me bij nader inzien ook niet heel waarschijnlijk dat het doek daar zo gehangen heeft, blootgesteld aan het daglicht. En ook niet dat je hem van buitenaf kon bekijken. Toch, zo is het beeld gevormd in mijn hoofd, zo is de herinnering.
Ik wilde eigenlijk het liefste gelijk terugwandelen naar die plek waar ik mezelf toen te snel losgerukt had. Dat zijn fouten die een mens soms maakt. Vaak heeft dat te maken met niet begrijpen wat er aan de hand is, waarom je het gevoel hebt dat je moet blijven, wat dat is. Meestal gecombineerd met een vermoedde druk van buiten (ze wachten op me, ik kan hier toch niet uren blijven staan, wat moet ik ze vertellen, uitleggen straks?).
Toch, dat gevoel is wezenlijk: willen blijven, moeten blijven, het gevoel dat er iets belangrijks aan de gang is, gevoeld, beleefd moet worden.
Dat schilderij, toen, had dat effect. En of het aan het weer lag, iets eenmaligs was, een effect was wat aan leeftijd, een bepaalde omstandigheid gekoppeld was? Of dat het enkel mijn ontvankelijkheid van dat moment was? Het kan, ik wilde daar achter komen.
Ik wilde het eigenlijk vooral opnieuw beleven, het goed maken wat ik toen te kort had gestaan, nu wel daar staan zo lang als nodig was. Maar was het schilderij er? Ik meende me te herinneren dat het tot de vaste, de eigen collectie behoorde van het Kröller Müller, maar of het er nu hing? En of ik het zou herkennen? En of het me dan ook nog iets zou doen? Na negen jaar, onder totaal andere omstandigheden: een grauwe dag in november in plaats van de eerste 30 graden dag in een meimaand, negen jaar eerder.
Het was rustig in het museum. Ik moest even zoeken, me opnieuw oriënteren. De plek waar het de vorige keer gehangen zou hebben was niet te vinden, bestond waarschijnlijk ook niet. Het schilderij was er wel. Het hield me tegen en ik bleef staan. Ik bleef lang staan. Erg lang. Ben tien keer weggelopen en vanuit een ooghoek nog een laatste blik werpend werd ik opnieuw verrast, getroffen door het doek en heb me weer omgedraaid en ben verder gegaan met kijken. Ik werd daar gelukkig van en ik kan het goddank nog steeds niet onder woorden brengen wat dat nou is, in dat schilderij, in mij. Het is er en het was er nog steeds. Dat schilderij en de ervaring. Mooi, erg mooi.
Ik had dat eerder gehad bij de kist van mijn vader, toen we die achterlieten op het grindpad, tussen de bebloesemde takken, in het zonlicht van een prachtige aprildag.
Er zullen bloemen in de perken naast het pad hebben gestaan, het was een bijzonder mooi stukje van de begraafplaats. En ik wilde erbij blijven, bij die kist, bij mijn vader. Ik was niet met hem aan het praten, voorzover ik weet, het was meer de aanwezigheid, dat ik daar, bij die kist, bij mijn vader wilde blijven. Voor hoe lang?
De anderen liepen weg. De plechtigheid was voorbij. Men ging naar de aula voor een kopje koffie en condoleances. En de kist zou zo, of straks, het gebouwtje worden ingereden waar dan kennelijk een hevig vuur moest branden. Dat was het plan, daarvan was ik op de hoogte gesteld.
Maar het was nog niet zover. Wat mij betreft al helemaal niet. Het was niet dat ik me ergens tegen verzette. Hij was dood, daar was geen redden meer aan. Maar ik wilde bij die kist blijven, voor een minuut, twee, drie, misschien vijf. Ik weet echt niet voor hoelang. Het afscheid nemen, het weglopen zou echt wel gebeuren, maar op zijn tijd. En die tijd die was er nog niet, was nog niet daar. Ik ben blijven staan, even, net lang genoeg om afstand te laten onstaan tussen de vertrekkende groep familieleden en mij en de kist. Ik hoefde daar niet alleen te staan, daar ging het niet om. Het was het staan, het stilstaan, het beleven, dat daar meer tijd voor nodig was. Misschien moest er nog wat uitgewisseld worden, maar zoals gezegd, volgens mij was er geen inwendig gesprek gaande tussen mij en mijn overleden vader. Het ging om zien, kijken, staan, stilstaan, horen, ademen, voelen, stilstaan en … net zo lang als dat duurt, als nodig is.
En godbeterehet… ik ben op gegeven moment vertrokken. Te vroeg, achter de anderen aan, om het gat niet te groot te laten worden. Om het niet te erg op te laten vallen. Om godverdegodver niks uit te hoeven leggen.
Dat zijn geen dingen die je goed kan maken, over kan doen.
Het schilderij hing aan een muur (dat soort dingen herinner je je dan) en die muur was wit. Het was van een Franse schilder, geen heel bekende, en volgens mij stond ik met mijn rug naar een glazen wand toen ik het schilderij bewonderde. En achter die glazen wand was het gras en het lange tegelpad naar de ingang van het museum. Zo'n soort herinnering. Die plek heb ik niet terug gevonden, lijkt me bij nader inzien ook niet heel waarschijnlijk dat het doek daar zo gehangen heeft, blootgesteld aan het daglicht. En ook niet dat je hem van buitenaf kon bekijken. Toch, zo is het beeld gevormd in mijn hoofd, zo is de herinnering.
Ik wilde eigenlijk het liefste gelijk terugwandelen naar die plek waar ik mezelf toen te snel losgerukt had. Dat zijn fouten die een mens soms maakt. Vaak heeft dat te maken met niet begrijpen wat er aan de hand is, waarom je het gevoel hebt dat je moet blijven, wat dat is. Meestal gecombineerd met een vermoedde druk van buiten (ze wachten op me, ik kan hier toch niet uren blijven staan, wat moet ik ze vertellen, uitleggen straks?).
Toch, dat gevoel is wezenlijk: willen blijven, moeten blijven, het gevoel dat er iets belangrijks aan de gang is, gevoeld, beleefd moet worden.
Dat schilderij, toen, had dat effect. En of het aan het weer lag, iets eenmaligs was, een effect was wat aan leeftijd, een bepaalde omstandigheid gekoppeld was? Of dat het enkel mijn ontvankelijkheid van dat moment was? Het kan, ik wilde daar achter komen.
Ik wilde het eigenlijk vooral opnieuw beleven, het goed maken wat ik toen te kort had gestaan, nu wel daar staan zo lang als nodig was. Maar was het schilderij er? Ik meende me te herinneren dat het tot de vaste, de eigen collectie behoorde van het Kröller Müller, maar of het er nu hing? En of ik het zou herkennen? En of het me dan ook nog iets zou doen? Na negen jaar, onder totaal andere omstandigheden: een grauwe dag in november in plaats van de eerste 30 graden dag in een meimaand, negen jaar eerder.
Het was rustig in het museum. Ik moest even zoeken, me opnieuw oriënteren. De plek waar het de vorige keer gehangen zou hebben was niet te vinden, bestond waarschijnlijk ook niet. Het schilderij was er wel. Het hield me tegen en ik bleef staan. Ik bleef lang staan. Erg lang. Ben tien keer weggelopen en vanuit een ooghoek nog een laatste blik werpend werd ik opnieuw verrast, getroffen door het doek en heb me weer omgedraaid en ben verder gegaan met kijken. Ik werd daar gelukkig van en ik kan het goddank nog steeds niet onder woorden brengen wat dat nou is, in dat schilderij, in mij. Het is er en het was er nog steeds. Dat schilderij en de ervaring. Mooi, erg mooi.
( - - - )
Ik had dat eerder gehad bij de kist van mijn vader, toen we die achterlieten op het grindpad, tussen de bebloesemde takken, in het zonlicht van een prachtige aprildag.
Er zullen bloemen in de perken naast het pad hebben gestaan, het was een bijzonder mooi stukje van de begraafplaats. En ik wilde erbij blijven, bij die kist, bij mijn vader. Ik was niet met hem aan het praten, voorzover ik weet, het was meer de aanwezigheid, dat ik daar, bij die kist, bij mijn vader wilde blijven. Voor hoe lang?
De anderen liepen weg. De plechtigheid was voorbij. Men ging naar de aula voor een kopje koffie en condoleances. En de kist zou zo, of straks, het gebouwtje worden ingereden waar dan kennelijk een hevig vuur moest branden. Dat was het plan, daarvan was ik op de hoogte gesteld.
Maar het was nog niet zover. Wat mij betreft al helemaal niet. Het was niet dat ik me ergens tegen verzette. Hij was dood, daar was geen redden meer aan. Maar ik wilde bij die kist blijven, voor een minuut, twee, drie, misschien vijf. Ik weet echt niet voor hoelang. Het afscheid nemen, het weglopen zou echt wel gebeuren, maar op zijn tijd. En die tijd die was er nog niet, was nog niet daar. Ik ben blijven staan, even, net lang genoeg om afstand te laten onstaan tussen de vertrekkende groep familieleden en mij en de kist. Ik hoefde daar niet alleen te staan, daar ging het niet om. Het was het staan, het stilstaan, het beleven, dat daar meer tijd voor nodig was. Misschien moest er nog wat uitgewisseld worden, maar zoals gezegd, volgens mij was er geen inwendig gesprek gaande tussen mij en mijn overleden vader. Het ging om zien, kijken, staan, stilstaan, horen, ademen, voelen, stilstaan en … net zo lang als dat duurt, als nodig is.
En godbeterehet… ik ben op gegeven moment vertrokken. Te vroeg, achter de anderen aan, om het gat niet te groot te laten worden. Om het niet te erg op te laten vallen. Om godverdegodver niks uit te hoeven leggen.
Dat zijn geen dingen die je goed kan maken, over kan doen.
De tijd nemen (2)
(... komt voort uit/is geschreven gelijk na De tijd nemen. Eigenlijk horen ze gewoon bij elkaar. Staan sinds kort ook weer in één post, maar goed, deze staat ook nog steeds apart)
Ik had dat eerder gehad bij de kist van mijn vader, toen we die achterlieten op het grindpad, tussen de bebloesemde takken, in het zonlicht van een prachtige aprildag.
Er zullen bloemen in de perken naast het pad hebben gestaan, het was een bijzonder mooi stukje van de begraafplaats. En ik wilde erbij blijven, bij die kist, bij mijn vader. Ik was niet met hem aan het praten, voorzover ik weet, het was meer de aanwezigheid, dat ik daar, bij die kist, bij mijn vader wilde blijven. Voor hoe lang?
De anderen liepen weg. De plechtigheid was voorbij. Men ging naar de aula voor een kopje koffie en condoleances. En de kist zou zo, of straks, het gebouwtje worden ingereden waar dan kennelijk een hevig vuur moest branden. Dat was het plan, daarvan was ik op de hoogte gesteld.
Maar het was nog niet zover. Wat mij betreft al helemaal niet. Het was niet dat ik me ergens tegen verzette. Hij was dood, daar was geen redden meer aan. Maar ik wilde bij die kist blijven, voor een minuut, twee, drie, misschien vijf. Ik weet echt niet voor hoelang. Het afscheid nemen, het weglopen zou echt wel gebeuren, maar op zijn tijd. En die tijd die was er nog niet, was nog niet daar. Ik ben blijven staan, even, net lang genoeg om afstand te laten onstaan tussen de vertrekkende groep familieleden en mij en de kist. Ik hoefde daar niet alleen te staan, daar ging het niet om. Het was het staan, het stilstaan, het beleven, dat daar meer tijd voor nodig was. Misschien moest er nog wat uitgewisseld worden, maar zoals gezegd, volgens mij was er geen inwendig gesprek gaande tussen mij en mijn overleden vader. Het ging om zien, kijken, staan, stilstaan, horen, ademen, voelen, stilstaan en … net zo lang als dat duurt, als nodig is.
En godbeterehet… ik ben op gegeven moment vertrokken. Te vroeg, achter de anderen aan, om het gat niet te groot te laten worden. Om het niet te erg op te laten vallen. Om godverdegodver niks uit te hoeven leggen.
Dat zijn geen dingen die je goed kan maken, over kan doen.
vrijdag 16 november 2012
Knoop
Het is niet elke keer zo als ik hem uit de wasmachine haal, maar wel vaak. Eén keer is eigenlijk al vreemd. Voordat ik hem de trommel in doe knoop ik de twee uiteinden altijd aan elkaar, de onderste uiteinden. Dan kan er geen andere was inkomen, dat is het idee. Geen sokken, T-shirts, washandjes, noem maar op.
Maar dan haal ik twee uur later het dekbedovertrek uit de trommel, schud het een beetje uit, hou hem met gestrekte armen voor me omhoog en het valt in volle oppervlakte voor me open. Twee bij twee, geen knoop te bekennen. Het zijn toch geen lullige knoopjes die ik er in leg, De stukken samengeknepen katoen die boven de knoop uitsteken worden nog eens stevig aangetrokken voordat ik hem de machine in doe. Het is gewoon een bontwasprogramma waar ik de machine op instel, geen kreuk- of stijkvrij of zo iets.
Ik zou er ondertussen vanuit mogen gaan en misschien doe ik dat ook wel, maar ik ben toch elke keer weer verbaasd dat de knoop er tijdens het wassen is uitgegaan.
Abonneren op:
Posts (Atom)



